De verhalenverteller

Dit was geen gewoon doolhof.
Een doolhof is meer dan alleen een spel om een in -en uitgang te vinden. Het doolhof heeft een Grieks mythologische oorsprong; het labyrint van Knossos. Onder de paleizen van Knossos, te Kreta, bevond zich in de kelders een enorm duister en ontoegankelijk labyrint, waaruit geen ontsnappen mogelijk was. In dit labyrint leefde, zo wil de mythe, een verschrikkelijk monster, de minotaurus. Een wezen van half mens en half stier. Jonge meisjes werden in het labyrint achter gelaten, om te worden geofferd aan de minotaurus, om hem zoet te houden. Wie ook in de spelonken belandde, hij of zij overleefde dit zeker niet.
In latere eeuwen kreeg een labyrint nog een andere betekenis. Een labyrint werd gezien als een wandelpad volgens een eeuwenoud ritmische structuur. Het lopen van zo’n wandelpad is een manier om geconcentreerd bezig te zijn met je eigen actuele thema’s, of om simpelweg tot rust en ontspanning te komen.
In het Christelijk geloof kreeg het labyrint ook een betekenis. Het labyrint is een oeroud archetype, dat verbonden is met transformatie en wedergeboorte. De cirkel van het labyrint is een symbool van de verbinding tussen de menselijke en de goddelijke wereld, een levenspad, het lopen van een innerlijke weg. In het centrum bevindt zich het hart van het labyrint.
In dit doolhof, zo had ik begrepen, was het mijn doel om te belanden in het hart, waar dat ook zou zijn. In het hart zou mij het geheim van dit labyrint geopenbaard worden, als een visioen. Dit was min of meer een belofte.
Ik liep over het gras. Rechts van mij ontwaarde ik een rechthoekig tuindeel. Achterin groeide een vlinderstruik met paarse bloemen. Eenmaal in bloei deed het zijn naam alle eer aan en trokken de bloemen vele vlinders aan, sommigen krijgen van mij de naam naar hun kleur zoals geeltjes, witjes. Maar de kleur van de Atlanta doet zich niet in één kleur vangen.
Pal voor deze struik stond een liriodendron, in de volksmond tulpenboom geheten vanwege de vorm. De boom kan bloeien, maar eer dat zover is passeren meerdere jaren. (Ik heb mij laten vertellen dat de boom dan kleine gele bloemetjes heeft, met onderaan de kelk een tipje oranje) Ik liep verder, en liet dit tuindeel achter mij. Ik zag rechts een rozenstruik, en op de grond schoenlappersplantjes. Weer wat verder zag ik een struik die behoorde tot de azalea achtige, één met kleine witte bloemetjes.
Ik kon linksaf lopen, nog eventjes over het gras, en toen weer linksaf, en liep ik op stoeptegels, rechtdoor tot ik net verder kon en een schutting zag; een grens naar andere parallelle werelden, nu op dit moment niet toegankelijk voor mij. Vóór deze schutting groeiden de Vibernum oppulus, beter bekend onder de naam sneeuwbollen. De sneeuwbol is een heester met helderwitte kogelronde samengestelde bloemballen. De bloemballen beginnen groen van kleur, maar ondergaan een metamorfose naar een sneeuwwitte pracht.
Ik draaide mij om en deed één pas naar links, om niet hetzelfde pad terug te gaan lopend. Ik bevond mij nu op het laatste pad, de kleur van de tegels werden roze, en ik wist dat ik het einde van de paden naderde, het centrum wachtte op mij, en daarmee het hart van het labyrint. Ik bevond mij onder een prieel van 4 bomen in een vierkant. De stoeptegels vormden het midden van dit prieel: ik was er.
Ik keek om mij heen, en wachtte maar er gebeurde niets. De mist ontsloot zich nu nog verder rondom mij, totdat ik werkelijk helemaal niets meer zag. Wat nu? Moest ik hier uren gaan staan? Mijn ademhaling versnelde zich en mijn hartslag voerde diens ritme van slaan merkbaar op. Een onzekerheid maakte zich van mij meester. Had ik alles wel goed gedaan? Ik sloot mijn ogen en ik was even terug op het begin punt. De route was in het begin van mijn speurtocht haast aan mij getoond, ik had niets zelf verzonnen. Ik besloot dat ik mij niet van de wijs moest laten brengen door mijn eigen muizenissen. Ik was het bangst voor mijn eigen angst. Maar ik stond ín het hart van het labyrint en hier zou het geheim van het labyrint aan mij geopenbaard worden, dat was een feit.
Ik concentreerde mij op mijn ademhaling en hervond mijn adem. Mijn hartslag hervond diens gewone ritme weer en ik deed mijn ogen weer open. De mist waaide nog rond mijn hoofd, maar niets kon mij nog in de weg staan. De mist begon op te lossen, van het ene op het andere moment, en ik bevond mij in een tuin, het was mijn eigen tuin. Ik zag mijn eerste stappen bij de aanvang van mijn route, als een soort voetstappen of sporen. Tegelijk zag ik ook mijn eerste keuzemoment. Mijn tuin werd een tuin met een paadje die uit zichzelf splitste. Ik zag die routes die ik had gelopen maar ook de alternatieve routes. Het werden allemaal zichtbare routes in een labyrintische tuin. Met elk keuzemoment werd het aantal routes groter, elke route had zijn verschillende mogelijke toekomsten. Het konden kluwen van routes zijn die dichterbij kwamen, zich splitsten en elkaar weer sneden. Dit alles ging door tot mijn laatste stap en ik zag mijn tuin als een compleet iets, waar planten, dieren en mensen in deze ruimte konden vertoeven en ademen. De fontein stond aan, en het water stroomde als in een oase; constant en zonder gevaar. Al de genoemde planten of bloemen stonden voor nu tegelijk in bloei, voor nu waren de verschillen, die er anders in de seizoenen zijn, opgeheven. Ik genoot van de verscheidenheid aan kleuren, en ik ademde de geuren in. Vanuit omringende struiken vlogen musjes af en aan naar de vogel voerbak, koolmezen bewaakten hun vogelhuisje met jongen. Een merel dronk water uit de fontein, en op de schutting zat een roodborstje nieuwsgierig te kijken naar dit alles.
Mijn blikveld veranderde en ineens bevond ik mij in een bibliotheek In lange rekken, met in elke rek meerdere verdiepingen, stonden tientallen, nee honderden boeken klaar om geleend te en gelezen te worden. De bibliotheek leek voor iedereen toegankelijk, man en vrouw konden naar hartenlust hun favoriete boek uitzoeken.
Opnieuw veranderde mijn blikveld, en ik stond samen met mijn partner op een strand naar ze zee te kijken, naar de zonsondergang en ik vertelde over mijn ervaring in de tuin, in de bibliotheek, want alles was ook direct toegankelijk voor mijn partner. Als in een diaserie zag ik beelden voorbijkomen, panorama’s vanaf hoge bergen, of vergezichten vanaf een strand.
Ik bevond mij weer in mijn eigen tuin. Ik had geleerd dat al de beelden en al de ervaringen voor altijd aanwezig zouden zijn. Ik hoefde niet eerst door een mistig doolhof te lopen om dit alles te ervaren. Dit was het ultieme geheim van het labyrint; al de beelden, al de ervaringen bevonden zich in mijn hart. Ik hoefde slechts mijn hart te openen om alles opnieuw te ervaren als in een geweldige droom.

De deur deed ik open en ik liep het stenen pad op, en ik sloot de deur achter mij. Als markering van het begin van de door mij af te leggen route, stonden 2 middelhoge potten in V-vorm naast elkaar. In elke pot groeide een hosta. Ik liep door en ik trof een volgende aarden pot in V-vorm, als volgende markering. Deze pot was gevuld met winterviolen in de kleuren paars, paars-wit en een enkel viooltje met een gele stip. Vanaf hier bevond zich een tuin, als een doolhof vóór mij.
Dit was geen gewoon doolhof. De voor de meeste mensen bekende doolhoven zijn met hoge hagen, bermen en enorme struiken, een grindpad liep door zo’n doolhof. In het midden van een doolhof bevond zich een uitkijkpunt. Hier vandaan keken toeschouwers hoe de deelnemers van het doolhof zich een weg baanden en gaven ze aanwijzingen hoe te lopen. De aanwijzingen konden leiden tot het vinden van het uitkijkpunt, of het vinden van de uitgang.
Maar dit doolhof was er niet één omgeven door hoge hagen of hoge doornen struiken. Nee deze tuin bevond zich in een zeer dichte mist, en ik zag voor mij hooguit 1 of 2 tegels van de stoep voor mij. Alleen als zich iets pal onder mij of naast mij zich bevond, zoals nu deze aarden pot met winterviolen, nam ik deze waar.
Ik liep de tegels rechts van mij, en ik zag een hortensia. Een afrastering van een aantal op elkaar gestapelde halve stoeptegels leidden tot aan een klein schuurtje, hier hoefde ik nu niet te zijn. Een rijtje stenen lieten mij zien dat ik niet verder recht door kon lopen, ik maakte een kleine wending naar links en liep verder. Ik zag een keur van vers geplante struiken of kleine boompjes, waaronder een Exochorda Niagara, een struik genoemd naar de Niagara-watervallen. De witte bloemen van deze struik worden als parels van witte bloemen, zo gedrapeerd en gerangschikt dat ze als een spectaculaire witte waterval ogen. Iets verder naar achteren groeiden 2 hybride rododendrons, deze krijgen grote paarse bloemen, ze stonden nu ook in bloei en gaven een fleurig uitzicht te midden van “mijn mist”.  Weer vóór deze struiken bevond zich een vulgaris sering, met een keur aan kleine witte, roze bloemetjes, die als parfum roken. Ik ademde de heerlijke lucht hiervan in en liet hun aroma door mijn longen heen balsemen. Dit ervaren gaf mij kracht om door te gaan. Rechts van mijn voeten groeiden de Andromeda lavendelheide, lage heesters met koraalroze bloemetjes, die nog transformeren tot mooie heldere bloemen.
Ik zag 3 wilde zwijnen. Hier hoefde ik niet van te schrikken of op te kijken, want deze waren nep en stonden voor de sier. Wel mooie en leuke decorstukken. Een keur van bossen narcissen bevonden zich rechts van mij, gezellige voorjaarsbloeiers met hun mooie trompetjes, in de kleuren geel, wit en roze. Op dit punt bevond zich een vierkanten plateau, van kleine tegels. Op dit plateau stond een vogel voederhuisje, met dakje en konden kleine vogelsoorten wat voedsel eten. Voorbij dit vierkant zag ik een grasveldje, maar hier was de mist zo dicht dat het niet de bedoeling leek die kant op te gaan. Ik wendde mij af naar links, en liep tot een groot rechthoekige bak. In het midden van deze bak stonden 3 stenen zuilen. De 3 zuilen deden dienst als fontein. Rondom deze 3 zuilen bevonden zich kleine plantjes, of grassoorten, en kleine steentjes vulden de leemten.
3 lage aarden bakken, in rode bloempot markeerden de route, ze stonden in een rij. In de eerste 2 bevonden zich bessenplantjes, met mooie ronde besjes, en in de 3e bloeide lavendel.
Al hier kon ik mijn verdere route kiezen. Recht voor mij uit was een pad van straatklinkers, en rechts van mij bevond zich ook een pad van straatklinkers. Het pad recht voor mij uit kon ik even best goed zien, tot wel een halve meter voor mij uit. Rechts van dit pad bevond zich een huis, en leidde dit pad naar de deur van dit huis. Het huis voelde mij vertrouwd aan, maar ik zou er nu niet naar binnen gaan. Verder nog naar achteren ontwaarde ik een schutting. Pal voor de schutting groeiden een paar stokrozen, één daarvan was wel langer dan 2 meter. Ze kregen strengen van bloemen, mooie bloemen, en elk stokroos had zijn eigen kleur. Paars tot diep donker paars- zwart haast – aan, geel en groen Het was een grens van deze mistige wereld naar een andere wereld. De schutting was een scheidingslijn, en versperde de route, deze weg zou ik nu niet volgen.
Dit moment dat ik een heldere kijk had vervloog, het pad voor mij werd weer verduisterd, en ik zag nu alleen nog het pad rechts van mij. Ik vervolgde mijn weg dit pad op. Ik zag daar een aarden pot staan, ook met lavendel, andermaal een markering van de route.
Ik kon niet met mijn ogen zien wat zich links van mij bevond, maar ik kreeg er beelden van. Hier bevonden zich 3 tuindelen in rechthoekige vormen, de middelste was groter dan de buitenste 2. In het eerste en het derde deel groeide een appelboom, beiden vol met grote, groene, mooie appels, rijp voor de oogst, om bijvoorbeeld een lekkere appeltaart van te maken. Rondom de appelbomen groeiden een keur aan laagbloeiers, plantjes met kleine bloemetjes, of grassoorten. In het midden van het tweede deel bevond zich een vijver. In de zomer werd de vijver dikwijls bewoond door minstens één kikker, meestal meerdere. Ofschoon zich in de omgeving geen groot watergebied bevond, wisten de kikkers zich toch een weg te banen naar deze vijver. Aan de rand van de vijver lag een kruik, als sier. Middelgrote stenen waren in een cirkel rondom de vijver aangelegd, en achter de cirkel bevond zich een magnolia, die zich als een pronkstuk liet gelden met dienst witte bloemen, en elk jaar steeds iets hoger reikend. In de vijver bloeide gele lis, een type plant die de opmaat kan zijn tot het ontstaan van land.
De route langs de 3 tuindelen leidde rechtdoor totdat ik weer een aantal aarden potten ontwaarde. Dit keer waren ze geen herkenningspunten voor de te volgen route, maar eerder de begrenzing hiervan. Door de jaren heen was de inhoud van deze potten veranderlijk. In één van de potten groeide eens Indische kers, een kruidachtige plant. Het is geen kers, en is de naam allicht wat misleidend. De bloemen van de plant zijn eetbaar en passen ook bij een salade. De kleuren van de bloemen doen vooral zomerfris aan, veelal rood of geel. In een andere pot groeide een lampionplant. De plant krijgt na de bloei een vruchtje, omsloten door een oranje kelk, die de vorm heeft van een lampion. De oranje huls is decoratief en past ook op een herfsttafel. De Indische kers en de lampionplant hebben met elkaar gemeen dat je ze om 1 reden beter in een pot kan zetten, dan in de tuin. De planten zijn woekeraars en kunnen zich weelderig verspreiden in je tuin. Wil je een tuin met meer dan deze 2 planten bezint dan eer ge begint. Vorst maakte ook weleens een einde aan deze planten en werden de potten gevuld met begonia’s of winterheide.
Rechts van mij zag ik een grasstrook waar ik dit keer wél overheen kon lopen, waar dit eerder op de route onmogelijk was. Vreemd, dat ik nu ineens wel over dezelfde strook kon lopen.

Het dolfijnenhotel bevond zich aan het einde van de wereld. Een hotel met al zijn mysteries, gangen, bijzondere kamers, wonderen en demonen. Dit hotel bestond niet meer. Het oude dolfijnenhotel werd gesloopt. Een ander hotel kwam daarvoor in de plaats. De directie van het dolfijnenhotel wilde dat het nieuwe hotel verder ging onder dezelfde naam. Maar de exacte verblijfplaats van het dolfijnenhotel bleef in het ongewis, en de nieuwe eigenaar had hier geen boodschap aan.
Een nieuw hotel werd gebouwd en kreeg de naam Rui Fontana, en lag niet ver van Santa Maria op het eiland Sal, één van de Kaapverdische eilanden. Eén van de mooiste kamers van het oude dolfijnenhotel had zich op mysterieuze wijze opnieuw gemanifesteerd in het Rui Fontana, en heette de schelpenkamer. Glimmend, geboende planken, lichte vloerkleden. Een 2persoonsbed, met daarvoor een houten dekenkist, en aan de wand een grote ronde spiegel. In een hoek onder het schuine dak, stond een houten kast. Een zacht kamerscherm scheidde een toilettafel af.
Het Rui Fontana had een zwembad aangelegd. Het werd een langgerekt zwembad wat in 2 delen uiteenviel. Tussen die 2 delen in bevond zich een bar. Om de zwembaden heen stonden bedjes en een keur van rieten parasols. In grotere hoeken stonden grote rieten daken in puntvorm aangelegd, rustend op grotere houten palen, voor meer schaduw. Onder 1 van die afdaken bevond ik mij zich dikwijls. Met mijn gezicht naar het zwembad toe gericht, bevond de bar zich links van mij, op een bescheiden loopafstand. Tegenover mij, voorbij het zwembad bevond zich een kleine “toren”. In het dolfijnenhotel was dit RAET. Op een kleine afstand van de toren bevond zich een afdak met een groot rieten dak, de ‘grote parasol”. In het dolfijnenhotel was dit VISMA. Eerst bevond ik mij iets verder weg zittend onder mijn afdak, en bevond zich voor mij een grote paal – waar het afdak op rustte – en die paal bevond zich in mijn zicht tussen de “toren” en “de grote parasol”. Maar later zat ik meer naar voren, en had ik niet langer vast van de grote paal in mijn zicht. De afstand tussen “de toren” en “de grote parasol”. Nu maakte dit niet uit. De afstand tussen die 2 bleef continue gelijk en er ging geen enkel signaal van uit.
In “de toren” van het zwembad, van Rui Fontana, werden de handdoeken uitgedeeld aan de gasten.
Op de dag dat ik vaststelde dat Rui Fontana ook het Dolfijnenhotel was, wat zich aan het einde van de wereld bevond, deed zich hier een zeldzaam natuurverschijnsel voor: het regende. Het was voor korte duur, maar toch.  Daarmee was een bewijs geleverd.
Er deed zich een vreemd transport voor. Ik zag karretjes rondrijden. Ik zag de karretjes eerst zonder inhoud. Maar dikwijls mét inhoud, waarbij de content werd voorborgen omdat alles zich in vuilniszakken bevond. De wagens reden naar een huisje pal naast het zwembad. Ik zag daar dat er bakken stonden in de karretjes. Bakken met vleeshompen, of fijngemalen substanties. In de karretjes met vuilniszakken bevonden zich lijken, die vervoerd werden in het Dolfijnenhotel. Door ze te vermalen tot vleeshompen werden de lijken weggewerkt. In het zwembad werden er ook ligbedjes weggehaald, er waren blijkbaar minder mensen aanwezig..
Vanuit het huisje kwam een geur van gekookt voedsel.. Ik wendde mij af van deze plaats.
Op een avond bevond ik mij op het strand van het Dolfijnenhotel. Het was een heldere avond. De maan scheen, sterren schenen. Toch oogt de zee dan zwart, kleurloos. Ik zag de deining van de golven, de zeeslag op het strand. Vanuit de zee zag ik een zwarte pitch, in de vorm van een ovaal, en lengte ter grootte van een ellenboog. Het leek een steen, maar de steen verplaatste zich langzaam op het strand. Een monster..? Een demon vanuit de zee..?
Overdag bleek dat “de steen” zaken op het strand had achtergelaten, zaken die herbegraven werden. Het waren eieren. Nu belandde op het strand vanuit zee veel plastic. Was het plastic vergroeid met de eieren: de demonen van het dolfijnenhotel?
Ik nam afscheid van het dolfijnenhotel, wat zich aan het einde van de wereld bevond, met locatie onbekend. Ik zijn op een echte locatie, en weten wat de betekenis was van het herbegraven van eieren. Ik bevond mij in het Rui Fontana hotel, op het eiland Sal, behorend bij de Kaapverdische eilanden. Een volwassen zeeschildpad was de donkere vlek, de “steen” die ik in de nacht had zien bewegen. De zeeschildpad had de eieren gelegd, en deze werden herbegraven. Een team van mensen zag hierop toe, en wachtte op het uitkomen van de eieren: kleine zeeschildpadjes om na uitkomen uitgezet te worden in zee.
Dit waren niet de demonen van het dolfijnenhotel! Dit waren de kleine wondertjes van het Rui Fontana hotel!

Buiten heerst een intense stilte, maar in zijn hoofd razen gedachten die hem dwingen op dit late uur de deur open te doen.

Mensen in zijn omgeving zeiden altijd: "je kunt niet met de noorderzon vertrekken. De zon komt immers in het oosten op en gaat in het westen onder." Hij lachte schamper om die opmerking. Hij zou aantonen dat je wél met de noorderzon kon vertrekken! Een paar dagen terug was hij op reis gegaan, voor zijn directe omgeving volkomen onverwacht. In alle stilte had hij zijn reis geregeld, en zijn eindbestemming. Pal voor zijn vertrek had hij zijn naaste collega's, wat familieleden en vaste vriendenkring een berichtje gestuurd. Iedereen had hetzelfde korte, mysterieuze berichtje ontvangen wat luidde: "ik ben naar het einde van de wereld, voor mijn laatste dag." Niets meer dan alleen dat bericht. Het einde van de wereld? Waar was dat dan? Mijn laatste dag? Wat bedoelde hij daar mee? Zijn laatste dag?
Dacht hij soms dat de wereld zou vergaan, en bedoelde hij dat met de zin ‘het einde van de wereld?”. Zijn laatste dag? Ging hij zelfmoord plegen? Er waren zelfs zorgen, want het briefje onthulde niets daarover.

Aan al die hersenspinsel had de man geen boodschap, sterker hij had er niet eens weet van. Vanuit zijn eindbestemming ging hij op pad, compleet met rugzak. De rugzak was gevuld met een fles water, en wat eten voor onderweg, een warme trui en een regenjas. Het weer kon tijdens de tocht zo maar omslaan, zo stond in de locale folders vermeld. In een redelijk tempo vervolgde hij zijn weg, van een looppad viel niet te spreken. De route werd gemarkeerd door een aantal op elkaar gestapelde stenen.

Eenzaam volgde hij zijn weg, hij trof geen andere mensen, op weg naar het einde van de wereld, de laatste dag. Hij had niet anders verwacht. Niet eens zo heel ver van hem vandaan verdrongen zich massa's mensen rondom één of ander monument. Zij realiseerden zich niets van wat er werkelijk komen zou, alleen hij wist van dat moment. Morgen, nee komende nacht al, zou iedereen van zijn laatste moment ontzet vernemen.

De route was soms verrassend stijl. Langzamer dan eerst vervolgde hij zijn weg, steeds dichter bij het einde van de weg. Het einde van zijn weg? Door eerdere regen was de loopweg drassig, zijn schoenen werden nat, maar dit deerde hem niet.

Flarden van mist drongen om hem heen en maakte hem onrustig. Mist? De mist moest verdwijnen, want mist wilde hij niet bij het einde, en de mist kon alles verpesten. De mist begon op te lossen en zijn zelfvertrouwen nam toe.

Uren verstreken.

Hij liep langs een stukje strand. De rotsen bogen zich in puntvorm naar elkaar toe, en kwamen bij elkaar. Het land versmalde tot maar een paar meter: het eindpunt.

Precies op dat moment, zo leek het, smolt de zon de laatste mist weg en scheen vlak boven de horizon, boven de zee, op zijn gezicht.

Hij lachte, het was hem gelukt. Het was hem gelukt iedereen voor de gek te houden in zijn bericht over het einde van de wereld, zijn laatste dag, zijn laatste moment. De wandeling naar deze plek, de echte Noordkaap, de Knivskjelodden, was naar het einde van de wereld. Het was 21 juni, rond middernacht. De zon zou niet onder gaan, en was er geen letterlijk laatste moment, het moment ging zelfs door. Uit respect knielde hij voor zijn laatste moment.

Zij kwam uit zee, langzaam en statig liep zij. Zij rees op uit zee en liep het zeewater kalm uit. Het zeewater kwam al tot haar middel. Zij keek om zich heen en zag vele broeders en zusters eveneens uit de zee komen, ze liepen richting het land. Dat wil zeggen, daar waar zij naar toe liepen, daar ontstond nu land. Voor haar voeten zag zij lang en zij liep verder het land op. Alleen haar voeten tikten het zeewater nog aan, totdat zij definitief het land op liep.
Zij was mooi. Ze had lang, blond haar, nu nog nat van het zeewater, en mooie blauwe ogen als de kleur van de zee. Haar oogopslag was kalm, zelfverzekerd. Zij had een lange lichtblauwe jurk aan, die haar taille omsloot. Ondanks dat zij uit zee kwam, had ze het absoluut niet koud. De wind had vrij spel en speelde al met haar snel opdrogende haar. Ze had mooie schoenen aan, uitstekend geschikt om op te lopen. Zij had geen route, er was geen weg. Toch scheen ze te weten waar ze moest lopen, voor haar was enkel land, zand, er groeide niets.
Ze liep verder, ze zocht naar een iets hogere plek, van waar zij alles goed kon overzien. Meer en meer ontstond die plek onder haar voeten. Hoger dan andere delen, en hier hield zij stil en draaide zij zich om, haar blik richting zee. Hier kwam ze vandaan, en ze wilde naar die richting kijken.
In de verte zag zij hoe ander land ontstond, vele eilanden zag zij ontstaan. Sommige eilanden zouden bewoond worden door mens en dier, op anderen zouden alleen bomen groeien en weer andere eilanden zouden onbegroeid blijven. Er kon verkeer ontstaan tussen het land en de bewoonde eilanden, veelal per boot. Van kleine 1 persoonsbootjes, zoals kano’s en roeiboten, naar snellere: speedboten. Maar ook pontjes die per vaste routes voeren. Rondvaartboten voor mooie tochten tussen de eilanden door. Schepen om op te dineren tijdens de vaartocht. Ook oceaanstomers zouden varen, want zij zag dat deze plaats een grote aantrekkingskracht ging krijgen. Er zou hier een plaats ontstaan waar veel mensen per boot naar toe zouden gaan, van plaatsen dichtbij, maar ook van ver af. Zij lachte om het zien van zoveel mogelijkheden. Het idee dat veel mensen zich over de zee zouden verplaatsen naar deze plaats, deed haar goed. Immers: zij kwam zelf uit zee.
Deze plaats zou haar naam krijgen, nu was er nog niets zichtbaar: alleen land. Land dat net was ontstaan. Bij de kust zouden zelfs meerdere havens ontstaan. Eén voor de vele pontjes, de pleziervaart en voor de voornamelijk wat kleinere boten. Deze haven zou zich dichtbij bevinden van waar zij zich nu bevond. Vanaf deze haven ontstond een boulevard, voor wandelaars, joggers en fietsers. Vlak bij de haven kwam een markt. Koopwaren, etenswaren vanuit zee, zoals vis, mosselen. In het achter land – het land wat zich achter haar ging ontstaan – ging veel bos groeien. Een keur aan mogelijkheden om hout te kunnen gebruiken en te vervoeren.
Veel mensen trokken na hun aankomst verder noordwaarts, naar de bossen. Vele mensen zouden op déze plaats blijven leven om hier te werken en te wonen. Buurten ontstonden, en een wir war aan straten, vervolgens zouden de buurten wijken worden. Restaurants zouden gebouwd worden. Vele parken om in te flaneren zouden worden aangelegd.
Deze plaats zou een grote stad worden. Ja, zelfs een hoofdstad van een land. Bij het zien van zoveel mogelijkheden krulde haar glimlach steeds meer. Zij hield nu al enorm van deze plaats. De plaats die haar naam ging dragen. Ze hoefde daarvoor alleen maar haar eigen naam hardop uit te spreken.
Het moment om dat te doen was inmiddels aangebroken. Ze ademde de frisse lucht van haar directe omgeving met flinke teugen in, en ademde uit alsof ze één werd met haar omgeving. Ze wierp één blik naar boven en vroeg op deze wijze om de zegen van de zon, de maan en de sterren. Ze focuste op al haar onvoorwaardelijke liefde die ze in haar droeg, spreidde haar armen uit om al die liefde aan deze plaats te geven. Luid en duidelijk sprak zij haar naam uit:


                                                    HELSINKI

Nieuwe reacties

21.09 | 13:34

Mooi verhaal.

...
09.08 | 18:13

Een mooi verhaal. Ik vermoede al dat hij naar de Noordkaap ging. En ook gelukkig
dat de mist oploste

...
07.06 | 18:06

Het is een mooi verhaal, je waant je in Noorwegen

...
25.11 | 00:33

Ben al een tijdje op zoek naar het boek Heelal van Anwb.
Waar An ik dit boek nog vinden?

...