De verhalenverteller

Zij kwam uit zee, langzaam en statig liep zij. Zij rees op uit zee en liep het zeewater kalm uit. Het zeewater kwam al tot haar middel. Zij keek om zich heen en zag vele broeders en zusters eveneens uit de zee komen, ze liepen richting het land. Dat wil zeggen, daar waar zij naar toe liepen, daar ontstond nu land. Voor haar voeten zag zij lang en zij liep verder het land op. Alleen haar voeten tikten het zeewater nog aan, totdat zij definitief het land op liep.
Zij was mooi. Ze had lang, blond haar, nu nog nat van het zeewater, en mooie blauwe ogen als de kleur van de zee. Haar oogopslag was kalm, zelfverzekerd. Zij had een lange lichtblauwe jurk aan, die haar taille omsloot. Ondanks dat zij uit zee kwam, had ze het absoluut niet koud. De wind had vrij spel en speelde al met haar snel opdrogende haar. Ze had mooie schoenen aan, uitstekend geschikt om op te lopen. Zij had geen route, er was geen weg. Toch scheen ze te weten waar ze moest lopen, voor haar was enkel land, zand, er groeide niets.
Ze liep verder, ze zocht naar een iets hogere plek, van waar zij alles goed kon overzien. Meer en meer ontstond die plek onder haar voeten. Hoger dan andere delen, en hier hield zij stil en draaide zij zich om, haar blik richting zee. Hier kwam ze vandaan, en ze wilde naar die richting kijken.
In de verte zag zij hoe ander land ontstond, vele eilanden zag zij ontstaan. Sommige eilanden zouden bewoond worden door mens en dier, op anderen zouden alleen bomen groeien en weer andere eilanden zouden onbegroeid blijven. Er kon verkeer ontstaan tussen het land en de bewoonde eilanden, veelal per boot. Van kleine 1 persoonsbootjes, zoals kano’s en roeiboten, naar snellere: speedboten. Maar ook pontjes die per vaste routes voeren. Rondvaartboten voor mooie tochten tussen de eilanden door. Schepen om op te dineren tijdens de vaartocht. Ook oceaanstomers zouden varen, want zij zag dat deze plaats een grote aantrekkingskracht ging krijgen. Er zou hier een plaats ontstaan waar veel mensen per boot naar toe zouden gaan, van plaatsen dichtbij, maar ook van ver af. Zij lachte om het zien van zoveel mogelijkheden. Het idee dat veel mensen zich over de zee zouden verplaatsen naar deze plaats, deed haar goed. Immers: zij kwam zelf uit zee.
Deze plaats zou haar naam krijgen, nu was er nog niets zichtbaar: alleen land. Land dat net was ontstaan. Bij de kust zouden zelfs meerdere havens ontstaan. Eén voor de vele pontjes, de pleziervaart en voor de voornamelijk wat kleinere boten. Deze haven zou zich dichtbij bevinden van waar zij zich nu bevond. Vanaf deze haven ontstond een boulevard, voor wandelaars, joggers en fietsers. Vlak bij de haven kwam een markt. Koopwaren, etenswaren vanuit zee, zoals vis, mosselen. In het achter land – het land wat zich achter haar ging ontstaan – ging veel bos groeien. Een keur aan mogelijkheden om hout te kunnen gebruiken en te vervoeren.
Veel mensen trokken na hun aankomst verder noordwaarts, naar de bossen. Vele mensen zouden op déze plaats blijven leven om hier te werken en te wonen. Buurten ontstonden, en een wir war aan straten, vervolgens zouden de buurten wijken worden. Restaurants zouden gebouwd worden. Vele parken om in te flaneren zouden worden aangelegd.
Deze plaats zou een grote stad worden. Ja, zelfs een hoofdstad van een land. Bij het zien van zoveel mogelijkheden krulde haar glimlach steeds meer. Zij hield nu al enorm van deze plaats. De plaats die haar naam ging dragen. Ze hoefde daarvoor alleen maar haar eigen naam hardop uit te spreken.
Het moment om dat te doen was inmiddels aangebroken. Ze ademde de frisse lucht van haar directe omgeving met flinke teugen in, en ademde uit alsof ze één werd met haar omgeving. Ze wierp één blik naar boven en vroeg op deze wijze om de zegen van de zon, de maan en de sterren. Ze focuste op al haar onvoorwaardelijke liefde die ze in haar droeg, spreidde haar armen uit om al die liefde aan deze plaats te geven. Luid en duidelijk sprak zij haar naam uit:


                                                    HELSINKI

Dit is een sprookje. En zoals elk sprookje, begint ook dit sprookje met..
Er was eens…

Er was eens….
Een eland, die wilde dat ze een rendier was. De liep tenminste in open velden, en werd regelmatig door mensen gezien, en de rendieren aten mos op hun gemak.
De eland wist van een 2tal, die een reis naar Finland maakten, per auto. Dit 2tal deelden de Liefde met elkaar, en hadden als vakantiebestemming voor Finland gekozen. Het 2tal hield van de stilte, de ruimte, de bossen, de meren én van de rendieren, die ze vaak zagen. Zo belandden ze een keer midden in een enorme kudde rendieren. Ze fantaseerden dat als die rendieren voor hun auto werden gespannen, en zo de auto in een arrenslee veranderde.
Behalve een reis in de tijd van de midzomernachtzon, waarin de zon niet ondergaat ten noorden van de noordpoolcirkel, maakten het 2tal ook een reis in de sneeuwtijd, op jacht naar het Noorderlicht. Het Noorderlicht zagen ze, zeker. Ze maakten een rit in een slee gezeten voortgetrokken door een rendier, die Whitenose heette. De eland liet zich níet voor zo’n slee spannen. “Mij niet gezien”, zo dacht de eland, maar ze keek toch naar de verrichtingen van Whitenose.
Het 2tal bracht behalve Liefde, veel Blijdschap mee door het zien van dit alles. Vanaf het ontstaan van het leven, cirkels heel klein tot en met de enorme cirkels van zon, planeten en sterren, en alles wat zich er maar tussen in bevond, genoten ze. De eland zag dat er in die Blijdschap vooral veel plaats was voor de kleur groen, de groen van mossen om van te eten, groen van bossen om in te leven en dat beviel de eland wel.
In Vrijheid mocht alles wat maar mooi was geschreven worden. Maar tegelijk was daar de grens van de Liefde zelf. Een pen kon ook in gif gedoopt, en konden niet al de woorden aanvaard worden: de lastige driehoek van de Vrijheid. Met het ontstaan van alle woorden, na het 1e woord Liefde, ontstonden ook alle kleuren in hun enorme verscheidenheid aan mogelijkheden.
De eland wist dat het 2tal New York bezocht had. “Daar leefden tenminste geen rendieren” zo wist de eland. Het vrijheidsbeeld, fier als symbool voor de Vrijheid, maar tegelijk als symbool voor de Vrede, markeerde het begin van New York. In Vrede was het werkelijk mogelijk dat een fakkel van vuur voor eeuwig kan branden en dat er in Vrede altijd en overal blauwe lucht was. “Hier in Finland is de kleur ook prachtig, blauw en zuiver” dacht de eland.
Daar zag de eland weer een kolonne rendieren in het open veld lopen, in Saamhorigheid, altijd in elkaars buurt, altijd op elkaar reagerend. “Nou, ik ga níet het open veld in” dacht de eland, “mij te open.” Zij hield zich schuil in de bossen, maar ergens was ze een beetje jaloers om al die aandacht die de rendieren van de mensen kregen.
Nu verzorgde de eland ook al die tijd haar jong. Ze had haar handen vol aan die verzorging, het jong was nieuwsgierig van aard, en lang niet zo snel reagerend als moeder eland.
Van het ene bos snelden de eland en haar jong naar een ander bos. Ze moest een weg oversteken. Snel stak zij de weg over. “Opschieten!” riep ze naar het jong achter haar.
Precies op dat ogenblik, dat de eland wilde gaan oversteken, passeerden de auto, met daarin het 2tal. “Een ELAND!!” riep één van de twee uit. De auto werd tot stilstand gebracht en terwijl ze achter om keken, zagen ze de eland oversteken. Het jong volgde, en zo kon de eland en haar jong door één van de twee gefotografeerd worden, ze waren erg onder de indruk van de eland, riepen constant ooh’s en aah’s.
De eland likte haar jong ontroerd. “Ze zijn onder de indruk, omdat ze ons hebben gezien”, zei de eland. “Al die aantallen rendieren doen er niet toe. Wij zijn maar met zijn tweeën, maar ze genieten er niet minder om..”
De eland wenste niet langer meer om een rendier te zijn. Ze was en bleef een eland en was voortaan tevreden om een eland te zijn, en zeldzaam gezien te worden. Van haar geboorte af was ze een eland, en zo was het ook bedoeld.
De eland en haar jong leefden nog lang en gelukkig.

Vanuit Kirkenis maakten mijn partner en ik een mooie midzomeravond rit, per auto. We reden noordwaarts en we lieten al snel de grote bewoonde wereld achter ons. Na wat heuvels gezien te hebben reden we door een berglandschap, en hier bevond zich wat werd genoemd “de oudste berg van Noorwegen”.
Hoe zou men weten dat dit de oudste berg was? Was het een gok? Of wás de berg de oudste berg? Het bordje ‘Norges eldste fjell’ gaf dit als een gegeven aan. Het plateau was bewandelbaar, over platgevormde stenen, midden tussen struiken en grasvelden. Kleine stenen, keien, waren op elkaar gestapeld en leken een route te markeren. Het plateau liep steil naar beneden. Recht voor ons hadden we een geweldig uitzicht: gigantische formaties van rots van wel tientallen meters hoogte, van alleen maar steen met als begroeiing enkele struiken. Deze rotsen hadden er altijd gestaan, en zouden ervoor altijd blijven staan, zo leek het. In de afgrond werd het landschap in tweeën gesplitst door een rivier.
We lieten de oudste berg achter ons. De weg waarop we reden werd steeds smaller, de route werd steeds bochtiger, en het hoogteverschil werd steeds grilliger. In alle stilte legden we de weg af, géén achtervolgers, géén tegenliggers.
Op een gegeven moment reden we steeds meer richting een riviertje, totdat de weg ook langs deze rivier voerde, de Jacobselv. Dit vier meter brede riviertje vormde een paar kilometer lang de grens met Rusland. Aan de kant waar wij reden markeerden geel gekleurde paaljtes Noorwegen.  Het Russische deel, aan de overkant van de rivier, stonden met rood gemarkeerde paaltjes om het Russische deel aan te duiden. De echte grens bevond zich in het midden van een rivier. Ofschoon we niemand zagen, was ons verteld dat dit deel van de grens weldegelijk werd bewaakt. In het Russische deel van dit gebied stonden grensposten, die bemand werden door soldaten, hun ogen gleden als verspieders over het landschap.
Onvoorbereid de grens passeren zou een grote boete opleveren. Geintjes als maar een paar meter Rusland binnenlopen, werden niet op prijs gesteld. Dit soort grapjes werden bestraft met fikse bekeuringen.
De rivier stroomde wat verder van ons vandaan, wij reden verder tot aan de Grense Jacobselv, waar de weg ophield, er was enkel een kleine parkeerplaats. Verder rijden kon niet meer: Noorwegen hield hierop!
Pal tegen een enorme rotswand stond een kleine kapel boven op een heuvel. Het was een monument om de nabije grens van Noorwegen en Rusland aan te duiden. Het kerkje was vanaf zee te zien. Het was een kapel, en droeg de naam van een vroegere Noorse koning, Oscar II.
Tijdens de rit hadden we eerst nog te maken met laaghangende bewolking, maar het werd steeds helder, terwijl het wel inmiddels rond 12 uur middernacht was. Precies op het moment dat wij bij het monument waren, brak de midzomernachtzon door, een roze licht steen op de kapel en op de enorme rots achter de kapel.
De roze gloed deed het licht in iets mysterieus veranderen. Het toneel leek wel op iets uit een andere tijd en plaats, het leek wel een decor voor een fantasy film. Dit alles in complete rust. De zon klom alweer verder aan de hemel. Dit was voor ons een vreemde gewaarwording. Het leek wel alsof het midden op de dag was, terwijl het nog nacht was.
We zagen het strand van de Grense Jacobselv, de Noorse zee.
Op de terugweg, zo slingerend door het Noorse landschap, beschenen door de nachtzon, draaiden we de suite uit Peer Gynt, Morgenstimmung, en besloten we dat dit werk zich in dit mysterieuze, mooie landschap afspeelde..

De dagdroom begon met een uitvoering door Alexander Rybak van een klassiek stuk onder de titel dagdrøm. Een titel die in het Noors best veel lijkt op de Nederlandse titel: dagdroom. Begeleid door alleen een pianist speelde Rybak dit stuk. Het leek wel haast een dagdroom. Ik stelde mij voor dat dit stuk ergens in Noorwegen uitgevoerd zou worden, in de zomer van 2013, op een plaats waar ik ook in de zomer van 2013 zelf ben geweest. Het tijdstip van spelen zou er niet toedoen, omdat het stuk uitgevoerd zou worden op een plaats waar de zon niet ondergaat.
Het stuk kan opgevoerd zijn in de directe omgeving van Kirkenes, in de richting van Grense Jacobselv, de grens met Rusland. Op een plek die genoemd wordt “de oudste berg van Noorwegen”, een rots maar dan één van enorme omvang, met bergen die als kliffen omhoog reizen. Of op het strand van Jacobselv, al waar de Russische grenswachters het stuk wel mee móeten luisteren, maar er eigenlijk van genieten.
Het vioolstuk kan ook in het binnenland gespeeld worden, pal langs de grens met Finland, de rivier
de Torniojöki, die zich meanderend een weg baant door het mooie landschap. In het riviertje staan vele vissers op jacht naar stokvis.
Op de eilandengroep van de Lofoten zou de uitvoering plaats kunnen vinden. In deze bergachtige omgeving met vele eilandjes is er al veel inspiratie geweest voor schilders, fotografen en andere kunstenaars. Een klassiek getint stuk past hier uitstekend bij.
Maar ik kies voor de plaats van uitvoering voor het eiland Maroya, het eiland waar zich ook de Noordkaap bevindt. Niet bij de Noordkaap zelf, deze plaats is te druk en daar staat al een globe als monument. Het landschap van Maroya is heuvelachtig. De weg slingert zich van hoog naar laag door dit mooie landschap, het heeft vele bergmeertjes en op dit eiland leven vele rendieren. Dit idyllische landschap is als een tekening voor de dagdroom.
In de zomer wordt dit stuk uitgevoerd, de zon gaat dan niet onder. Het is een onderdeel van de dagdroom; dat de zon werkelijk 24 uur schijnt, en de duisternis niet invalt. Op deze eenvoudige manier wordt dit deel van de dagdroom verwezenlijkt.
In een reguliere zon versus aarde cyclus komt de zon in de ochtend in het Oosten op, en gaat in de avond in het Westen onder. Dit deel van de Aarde wordt dan in het duister gehuld. Dit ritme kan het mogelijk maken dat het ook in onze psyche donker wordt, en problemen ontstaan.
Concentratieverlies, slapeloosheid, nachtmerries.
Of: erger. Stoornissen, syndromen.
Of: nog erger. Een soldaat ontdekt een moordenaar in zichzelf. Een in wezen goede persoon verandert in een tiran. Onderdrukking, geweld tussen mensen die eerst van elkaar hielden. Of wijzigingen van psychische aard, want de menselijke ziel kent vele lagen.
Maar de dagdroom gaat verder. Het zonlicht vermengt zich met de donkerte, en doet de duisternis langzaam maar zeker oplossen. Elke flard van verwarring verdwijnt. Zwarte en zware wolken worden witte wolken. De zonnestralen dringen binnen en doen de wolken verdwijnen.
Dan staat de Zon, in al diens pracht en praal, aan de hemel. Als een letterlijk schitterend object, te zien en te ervaren door al het leven op de wereld, en door alle mensen van alle volkeren op één en hetzelfde moment.

Uit "De Steen"', een lied geschreven door Bram Vermeulen.

""Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde het water gaat er anders dan voorheen"

"omdat door het verleggen van die ene steen de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan."

Ik paste dat eens zelf toe tijdens mijn reis van huis naar werk. Aan het begin van mijn reis pakte ik een kiezelsteentje op. Veel later gooide ik het steentje, met een boogje in een struikgewas. Niet in het water. Niemand zag het, niemand merkte het.

Dan is er toch niets veranderd..
Of toch wel?

Nieuwe reacties

07.06 | 18:06

Het is een mooi verhaal, je waant je in Noorwegen

...
25.11 | 00:33

Ben al een tijdje op zoek naar het boek Heelal van Anwb.
Waar An ik dit boek nog vinden?

...
26.08 | 13:44

Je beschrijving maakt, dat ik nieuwsgierig ben geworden naar het boek en de quote; de mens zou meer bescheiden zijn, dat ze slechts een druppel is in 't geheel.

...
24.07 | 00:35

Inderdaad. Zo is het. Genieten van muziek.
Muziek zal er altijd zijn. Xxx

...